Werkwoorden
blijven ingewikkeld. Zo zijn er sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden. Maar
welke is sterk? En hoe sterk is hij dan? Bij Engelse les is het duidelijk. Je
krijgt een rijtje dat je in je hoofd moet stampen, en dan ken je de sterke
werkwoorden en daarmee weet je ook de zwakke werkwoorden. Bij de taal waarmee
je opgroeit, is het net even anders. Die leer je van jongs af aan, dus dat weet
je gewoon. Maar soms niet. Dan zou je willen dat je ze nog niet kende en
gewoon een rijtje kan stampen.
Want
het 'leuke' van werkwoorden is dat ze je zin bepalen. En een verkeerde verleden
tijd kan er een heel andere zin van maken. Hielden
bijvoorbeeld, in de zin 'Gister hield ik je op'. Iedereen
weet dan wat wordt bedoeld: dat je weg wilde gaan en ik snel nog even wat tegen
je zei, waardoor het langer duurde voordat je echt weg kon. Ik hield je op.
Maar
deze uitleg leidt tot glazige blikken bij zoonlief. “Watte? Nee, wat ik
natuurlijk bedoel is dat jij er gister aankwam, maar dat het zo ongezellig is
om alleen te lopen vanaf de bushalte naar huis, dus dat ik je tegemoet kwam, en
je dus oph... Eh.... Het is toch halen - hield?”
Om
het goed te krijgen, probeer ik de twee met elkaar verwarde werkwoorden weer
goed te koppelen. Met de vraag hoe het ook alweer zit. Hoe je het noemt als je
het niet vandaag maar gister vasthoudt, en hoe je het dan noemt als je het niet
nu haalt maar dat je dat gister deed. Oja, haalde. In die combinatie, houden en
halen, is direct duidelijk dat hielden bij houden hoort en dat halen haalde
wordt. Voor dit moment dan. Want elke keer wordt halen toch weer hield bij mij
thuis.
Een ander werkwoord dat niet zelfstandig tot het goede resultaat leidt is
trekken. Dat werkwoord doet het alleen goed in combinatie met rekken. Want
rekken wordt rekte, en trekken wordt niet trekte maar trok. Of waaien: waaien
wordt waaide of woei, en zwaaien wordt wel zwaaide maar niet zwoei.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten