vrijdag 22 augustus 2014

De verleden tijd... soms helpt een duo


Werkwoorden blijven ingewikkeld. Zo zijn er sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden. Maar welke is sterk? En hoe sterk is hij dan? Bij Engelse les is het duidelijk. Je krijgt een rijtje dat je in je hoofd moet stampen, en dan ken je de sterke werkwoorden en daarmee weet je ook de zwakke werkwoorden. Bij de taal waarmee je opgroeit, is het net even anders. Die leer je van jongs af aan, dus dat weet je gewoon. Maar soms niet. Dan zou je willen dat je ze nog niet kende en gewoon een rijtje kan stampen.
 
Want het 'leuke' van werkwoorden is dat ze je zin bepalen. En een verkeerde verleden tijd kan er een heel andere zin van maken. Hielden bijvoorbeeld, in de zin 'Gister hield ik je op'. Iedereen weet dan wat wordt bedoeld: dat je weg wilde gaan en ik snel nog even wat tegen je zei, waardoor het langer duurde voordat je echt weg kon. Ik hield je op.
 
Maar deze uitleg leidt tot glazige blikken bij zoonlief. “Watte? Nee, wat ik natuurlijk bedoel is dat jij er gister aankwam, maar dat het zo ongezellig is om alleen te lopen vanaf de bushalte naar huis, dus dat ik je tegemoet kwam, en je dus oph... Eh.... Het is toch halen - hield?”
 
Om het goed te krijgen, probeer ik de twee met elkaar verwarde werkwoorden weer goed te koppelen. Met de vraag hoe het ook alweer zit. Hoe je het noemt als je het niet vandaag maar gister vasthoudt, en hoe je het dan noemt als je het niet nu haalt maar dat je dat gister deed. Oja, haalde. In die combinatie, houden en halen, is direct duidelijk dat hielden bij houden hoort en dat halen haalde wordt. Voor dit moment dan. Want elke keer wordt halen toch weer hield bij mij thuis.
 
Een ander werkwoord dat niet zelfstandig tot het goede resultaat leidt is trekken. Dat werkwoord doet het alleen goed in combinatie met rekken. Want rekken wordt rekte, en trekken wordt niet trekte maar trok. Of waaien: waaien wordt waaide of woei, en zwaaien wordt wel zwaaide maar niet zwoei.

Geen opmerkingen: